boord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boord
enkelvoud meervoud
naamwoord boord boorden
verkleinwoord boordje boordjes

Zelfstandig naamwoord

boord m

  1. m o (scheepvaart) het dek van een schip [1]
  2. m o de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek [2]
  3. m oever
  4. m rand
Uitdrukkingen en gezegden
  • aan/van boord gaan
het schip betreden/verlaten
  • dat boordje moet nog gesteven
  • kantje boord
iets dat nog maar net goed ging
  • iets goed aan boord leggen
iets moeilijks oplossen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boorden

boord

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boorden
    • Ik boord. 
  2. gebiedende wijs van boorden
    • Boord! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boorden
    • Boord je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl

Meer informatie