boord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boord
enkelvoud meervoud
naamwoord boord boorden
verkleinwoord boordje boordjes

Zelfstandig naamwoord

boord m

  1. m o (scheepvaart) het dek van een schip [1]
  2. m o de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek [2]
  3. m oever
  4. m rand
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: aan/van boord gaan
het schip betreden/verlaten
  • [2]: dat boordje moet nog gesteven
Uitdrukkingen en gezegden
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boorden

boord

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boorden
    Ik boord.
  2. gebiedende wijs van boorden
    Boord!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boorden
    Boord je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl