aansluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansluiten
sloot aan
aangesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
aansluiten

  1. ergatief op elkaar volgen
    • De trein en de bus sloten goed op elkaar aan. 
  2. overgankelijk een verbinding tot stand brengen
    • Hij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk. 
  3. passend maken
    • Die tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht. 
  4. wederkerend zich ~: bij een groep of organisatie gaan behoren
    • Hij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij. 
  5. wederkerend zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeft
    • Mag ik mij daarbij aansluiten? 
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • aangesloten zijn: telefoon hebben
Vertalingen




Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.