aansluiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansluiten
sloot aan
aangesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

aansluiten

  1. ergatief op elkaar volgen
    • De trein en de bus sloten goed op elkaar aan. 
     Dolgelukkig sloot ik achter aan in de rij.[1]
  2. overgankelijk een verbinding tot stand brengen
    • Hij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk. 
  3. passend maken
    • Die tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht. 
  4. wederkerend zich ~: bij een groep of organisatie gaan behoren
    • Hij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij. 
     Ik besloot mijn tempo op te schroeven, in de hoop andere hikers in te halen en me bij hen aan te sluiten.[1]
  5. wederkerend zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeft
    • Mag ik mij daarbij aansluiten? 
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • aangesloten zijn: telefoon hebben
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be