aantonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·to·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantonen
toonde aan
aangetoond
zwak -d volledig

Werkwoord

aantonen

  1. overgankelijk wijzen
    • Hij toonde aan de jongeren wat de gevolgen waren van hun baldadigheden. 
  2. overgankelijk bewijzen
    • Eigenlijk kun je alleen in de wiskunde zaken aantonen in de andere wetenschappen kun je zaken eigenlijk alleen maar waarschijnlijk maken. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: aantonende wijs
werkwoordsvorm die een werkelijkheid uitdrukt
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.