aantonen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·to·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantonen
toonde aan
aangetoond
zwak -d volledig

Werkwoord

aantonen

  1. (overgankelijk) wijzen
    Hij toonde aan de jongeren wat de gevolgen waren van hun baldadigheden.
  2. (overgankelijk) bewijzen
    Eigenlijk kun je alleen in de wiskunde zaken aantonen in de andere wetenschappen kun je zaken eigenlijk alleen maar waarschijnlijk maken.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: aantonende wijs
werkwoordsvorm die een werkelijkheid uitdrukt
Vertalingen