aanvaren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·va·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvaren
/anvarə(n)/
voer aan
/vur an/
aangevaren
/anxəvarə(n)/
klasse 6 volledig

Werkwoord

aanvaren

  1. overgankelijk varend botsen op
    • Door de dichte mist bestond het gevaar aangevaren te worden. 
  2. ergatief varend naderen
    • Hij kwam wat te vroeg aangevaren. 
  3. aanbrengen
  4. (maritiem) binnenlopen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.