aanvoeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvoeren
voerde aan
aangevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvoeren

  1. bevel voeren over, leiden
    • Na enkele grote overwinningen kreeg hij een groot leger om aan te voeren. 
  2. aanbrengen, naartoe transporteren
    • Zij voeren graan aan nu de oogst verloren is gegaan. 
  3. bijbrengen als bewijs
    • De verdediging wil ook nog iets aanvoeren. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanvaren

aanvoeren

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanvaren
    • ...dat wij aanvoeren. 
    • ...dat jullie aanvoeren. 
    • ...dat zij aanvoeren. 

Zelfstandig naamwoord

aanvoeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanvoer

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.