aanvoeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvoeren
voerde aan
aangevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvoeren

  1. bevel voeren over, leiden
    • Na enkele grote overwinningen kreeg hij een groot leger om aan te voeren. 
  2. aanbrengen, naartoe transporteren
    • Zij voeren graan aan nu de oogst verloren is gegaan. 
     'De Route Nationale 7 is nog altijd belangrijk voor ons, omdat ze veel toeristen aanvoert', zegt Sandro Belle (30), chef de cuisine van het Vineum in Tain l'Hermitage, een lunchrestaurant en wijnproeverij, twee jaar geleden geopend door de grote wijnproducent Paul Jaboulet Ainé.[1]
  3. bijbrengen als bewijs
    • De verdediging wil ook nog iets aanvoeren. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanvaren

aanvoeren

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanvaren
    • ...dat wij aanvoeren. 
    • ...dat jullie aanvoeren. 
    • ...dat zij aanvoeren. 

Zelfstandig naamwoord

aanvoeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanvoer

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant