aanzitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zit·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanzitten
zat aan
aangezeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

áánzitten

  1. ~ aan: aan de maaltijd zitten.
    • Zij zaten aan aan het banket. 
  2. aanraken, de handen leggen op iets.
    • Zij zaten overal aan. 
Vaste voorzetsels
  • aanzitten aan

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.