aanwippen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wip·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwippen
wipte aan
aangewipt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanwippen

  1. ergatief kort bezoeken
    • Toen ze toch in de buurt waren kwamen ze even aanwippen. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.