aanhalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhalen


haalde aan


aangehaald


zwak -d volledig

Werkwoord

aanhalen

  1. (overgankelijk) middels vleierij of vriendelijkheid nader tot zich doen komen
    's Avonds kunnen we onze kat wel aanhalen en komt hij zelfs bij ons op de bank liggen.
  2. (overgankelijk) eigen of andermans woorden citeren
    Bij het aanhalen van andermans woorden in een tekst gebruiken we aanhalingstekens.
  3. (overgankelijk) aanspannen, aantrekken, strakker maken
    Vlaamse commerciële zender moet de buikriem fors aanhalen.
  4. (overgankelijk), (figuurlijk) hechter maken
    India wil de banden met Iran aanhalen.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3] de teugels aanhalen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl