aanpraten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pra·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanpraten
praatte aan
aangepraat
zwak -t volledig

Werkwoord

aanpraten

  1. inergatief doorpraten
    • Er werd enige tijd nog wat aangepraat, maar veel zinnigs werd er niet meer gezegd 
  2. ditransitief overhalen tot een bepaalde zienswijze
    • Hij had dat van jongs af aan aangepraat gekregen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.