aanpraten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pra·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanpraten
praatte aan
aangepraat
zwak -t volledig

Werkwoord

aanpraten

  1. inergatief doorpraten
    • Er werd enige tijd nog wat aangepraat, maar veel zinnigs werd er niet meer gezegd 
  2. overgankelijk overhalen tot een bepaalde zienswijze
    • Hij had dat van jongs af aan aangepraat gekregen. 
  3. overgankelijk iemand (iets) op de mouw spelden
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be