aanduiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·dui·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanduiden
duidde aan
aangeduid
zwak -d volledig

Werkwoord

aanduiden

  1. (overgankelijk) aanwijzen, aantonen, duidelijk maken, tonen, bewijzen
    De wiskundige toonde aan dat de wortel uit 2 geen rationeel getal is.
Vertalingen