Naar inhoud springen

aanduiden

Uit WikiWoordenboek
  • aan·dui·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanduiden
duidde aan
aangeduid
zwak -d volledig

aanduiden

  1. overgankelijk aanwijzen, aantonen, duidelijk maken, tonen, bewijzen
     Lyrische poëzie en koorzangen in drama kennen complexe metrische schema's die aanduiden dat het om zang gaat, begeleid door muziek op lier of dubbelhobo, bedoeld om onder het dansen te worden uitgevoerd.[1]
  2. overgankelijk betekenen, verwijzen naar
    • Vermoedelijk duidt dit woord iets anders aan. 
  3. benoemen
     Hoewel de meeste bewoners van de omliggende wijken het meestal als ‘kanaal’ aanduidden, vertikte zij het de strook water zo te definiëren.[2]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]