aanloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanloop aanlopen
verkleinwoord aanloopje aanloopjes

Zelfstandig naamwoord

aanloop m

  1. het op gang komen
    • Hij had een lange aanloop nodig, maar toen hij eenmaal aan het werk was ging het vlotjes tot het af was. 
  2. (techniek) het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
    • Een elektromotor heeft maar een korte aanloop maar de inschakelstroom is enorm. 
  3. (sport) een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
    • Hij nam een aanloop en dook het water in. 
  4. een inleiding
    • Deze onderhandelingen vormen de aanloop tot de uiteindelijke wereldklimaattop. 
  5. bezoek
    • Het weer was prachtig en er was veel aanloop. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1,4] in de aanloop naar ...
  • [3] een aanloop nemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanlopen

aanloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanlopen
    • ... dat ik aanloop. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen