aanschouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·schou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanschouwen
aanschouwde
aanschouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanschouwen

  1. zien, gadeslaan
    Hij aanschouwde zichzelf en zijn vrouw in de grote spiegel.
  2. ten aanschouwen van: in tegenwoordigheid van
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl