aaneen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·een
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijwoord van tijd: elkaar in tijd opvolgend’ voor het eerst aangetroffen in 1436 [1]
  • samenstelling van  aan   en  een   [2]

Bijwoord

aaneen

  1. zonder tussenruimte
    • De zomerhuisjes stonder zeer dicht aaneen. 
  2. achter elkaar
  3. in samenkoppelingen: aan elkaar
    • De politieagent bond de handen van de dief aaneen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen