aanranden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ran·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘te lijf gaan (al dan niet met ontucht)’ voor het eerst aangetroffen in 1544 [1]
  • samenstelling van  aan vz  en  randen ww 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanranden
randde aan
aangerand
zwak -d volledig

Werkwoord

aanranden

  1. aantasten
  2. verkrachten, iemand dwingen tot seksueel contact
    • De man randde de jonge vrouw aan en kwam daardoor voor lange tijd in de gevangenis terecht. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen