aanspeten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·spe·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanspeten
speette aan
aangespeet
zwak -t volledig

Werkwoord

aanspeten

  1. overgankelijk aan een spit rijgen
    • Zij speetten het vlees aan en hingen het boven het vuur. 

Gangbaarheid