aanspoelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·spoe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanspoelen
spoelde aan
aangespoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanspoelen

  1. ergatief met het water meedrijven en vervolgens aan land komen te liggen
    • De inhoud van de container die van het schip was afgevallen was op het strand aangespoeld. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.