aanhouden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhouden
hield aan
aangehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanhouden

  1. overgankelijk staande houden
    • De hardrijder werd aangehouden en bekeurd. 
  2. overgankelijk, (juridisch) arresteren
  3. in beslag nemen
  4. inergatief volhouden
    • Het meisje bleef maar aanhouden met zeuren over het hondje dat ze wilde hebben. 
  5. ergatief voortduren
    • De pijn in de knie bleef maar aanhouden terwijl ze toch genoeg rust hield. 
  6. overgankelijk niet toewijzen, niet behandelen, uitstellen
    • De rechtbank hield de zaak aan omdat de partijen geen onderling akkoord kunnen sluiten. 
Synoniemen
Spreekwoorden
  • aanhouden op: gaan in de richting van
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.