aanhebben

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhebben
had aan
aangehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

aanhebben

  1. absoluut een kledingstuk of sierraad dragen
    • Ze had haar bikini aan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders
88 % van de Vlamingen.