aanhebben

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van hebben met het voorvoegsel aan-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhebben
had aan
aangehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

aanhebben

  1. (inergatief) een kledingstuk of sierraad dragen
    Ze had haar bikini aan.
Vertalingen