aanpalend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pa·lend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen aanpalend
verbogen aanpalende
partitief aanpalends

Bijvoeglijk naamwoord

aanpalend

  1. aangrenzend, direct gelegen naast
    • Het vuur was overgeslagen naar twee aanpalende gebouwen. 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van: aanpalen
verbogen vorm: aanpalende

aanpalend

  1. onvoltooid deelwoord van aanpalen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.