aanpalend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·pa·lend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanpalend
verbogen aanpalende
partitief aanpalends - -

Bijvoeglijk naamwoord

aanpalend

  1. aangrenzend, direct gelegen naast
    Het vuur was overgeslagen naar twee aanpalende gebouwen.
Synoniemen