aantijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·tij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantijgen
teeg aan
aangetegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

aantijgen

  1. overgankelijk aantrekken
  2. overgankelijk aanwrijven, beschuldigen van iets
    • Hem werd het onbevoegd en onbekwaam verlenen van geneeskundige zorg aangetegen. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen