aanmanen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ma·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanmanen
maande aan
aangemaand
zwak -d volledig

Werkwoord

aanmanen

  1. aansporen, manen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.