zachtjesaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht·jes·aan
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

zachtjesaan

  1. langzamerhand.
    • Het was erg leuk, maar we moeten nu zachtjesaan naar huis toe. 

Gangbaarheid