aanbijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbijten
beet aan
aangebeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

aanbijten

  1. in het aas bijten
  2. het eerste stuk van iets bijten

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.