aangaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aangaan
ging aan
aangegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

aangaan [1]

  1. inergatief betreffen, van belang zijn
    • Dat gaat hem zeker aan. 
    • Het gaat niemand wat aan hoeveel ik verdien. 
     Beslissingen die de kinderen aangingen, werden dan ook steevast gezamenlijk aan hen gemeld en uitgelegd.[2]
  2. ergatief ingeschakeld worden
    • Het licht ging ineens aan. 
  3. overgankelijk in een zaak of relatie betrokken worden
    • Hij is daarna een relatie met haar aangegaan. 
Antoniemen
Typische woordcombinaties
  • verplichtingen aangaan
beloven dat je iets zult doen
achtervolgen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be