aangroei

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·groei
enkelvoud meervoud
naamwoord aangroei -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aangroei m

  1. toename
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aangroeien

aangroei

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aangroeien
    • ... dat ik aangroei. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.