aanpoten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·po·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanpoten
pootte aan
aangepoot
zwak -t volledig

Werkwoord

aanpoten

  1. flink werken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.