aanvoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·voer
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvoer aanvoeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanvoer m

  1. het aanbrengen met een leiding of voertuig
  2. het aangevoerde

aanvoer-

  1. voor aanvoer dienend
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanvaren

aanvoer

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanvaren
    ... dat ik aanvoer.
    ... dat jij aanvoer.
    ... dat hij, zij, het aanvoer.

Werkwoord

vervoeging van
aanvoeren

aanvoer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvoeren
    ... dat ik aanvoer.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.