aansnoeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·snoe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansnoeren
snoerde aan
aangesnoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aansnoeren

  1. vaster snoeren
    • Het korset kan aangesnoerd worden met een vetersluiting. 
Vertalingen

Gangbaarheid