aankeffen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kef·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankeffen
kefte aan
aangekeft
zwak -t volledig

Werkwoord

aankeffen

  1. overgankelijk gewoonlijk van een hond iemand onderwerpen aan scherp geblaf
    • Hij werd aangekeft door twee kleine hondjes. 

Gangbaarheid