aankoop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·koop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aankoop aankopen
verkleinwoord aankoopje aankoopjes

Zelfstandig naamwoord

aankoop m

  1. (handel) datgene wat men aankoopt
    Mijn vader kwam zijn nieuwste aankoop trots aan me tonen.
  2. (handel) de daad van het aankopen
    De aankoop kon niet doorgaan omdat ik mijn geld was vergeten.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
aankopen

aankoop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aankopen
    ... dat ik aankoop.


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
aankoop
aangekoop
volledig

Werkwoord

aankoop

  1. aankopen