aanbetalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·be·ta·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbetalen
betaalde aan
aanbetaald
zwak -d volledig

Werkwoord

aanbetalen

  1. overgankelijk een gedeeltelijke vooruitbetaling doen
    • Bij boeking ervan dient meteen na het ontvangen van de factuur 50% van de prijs te worden aanbetaald. 
    • Er zijn wettelijke regels die betrekking hebben op het bedrag dat moet worden aanbetaald. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be