aanbetalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·be·ta·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbetalen
betaalde aan
aanbetaald
zwak -d volledig

Werkwoord

aanbetalen

  1. (overgankelijk) een gedeeltelijke vooruitbetaling doen
    Bij boeking ervan dient meteen na het ontvangen van de factuur 50% van de prijs te worden aanbetaald.
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie