eraan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·aan
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     aan  
 persoonlijk     eraan  
aanwijz.   nabij     hieraan  
  veraf     daaraan  
  vragend/betrekk.     waaraan  

Voornaamwoordelijk bijwoord

(scheidbaar)
eraan

  1. vervangt *aan het, *aan ze
    Toen moest ook hij eraan geloven.
  2. eraan gaan: doodgaan
  3. eraan komen : al onderweg zijn
  4. eraan komen fietsen, hollen, lopen enz: al onderweg zijn op de beschreven manier
  5. eraan moeten geloven: je ergens bij neer moeten leggen, overlijden
  6. eraan toegaan: hoe iets gebeurd
  7. eraan toezijn: hoe de conditie van iemand is, ergens behoefte aan hebben
  8. eraan zijn: moe zijn
  9. met alles erop en eraan: helemaal compleet