aanstrijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·strij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanstrijken
streek aan
aangestreken
klasse 1 volledig

Werkwoord

aanstrijken

  1. langs iets strijken
    • De snaren van een viool worden aangestreken met behulp van een strijkstok. 
  2. voegen, dichtsmeren
  3. doen ontbranden
    • Hij probeert een lucifer aan te strijken, maar de kop ketst af. 
Vertalingen

Gangbaarheid