aanvuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvuren
vuurde aan
aangevuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvuren

  1. aanwakkeren

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.