aanwassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanwassen aanwassend
aanwas aangewassen


Woordafbreking
  • aan·was·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwassen
wies aan
aangewassen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanwassen

  1. ergatief toenemen, aangroeien
    • De rivier wies door de overvloedige regenval sterk aan en trad buiten zijn oevers. 
    • Het oproer wies aan en verbreidde zich ongehinderd over de stad.[1] 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aanwassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanwas

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De patriottentijd, hoofdzakelijk naar buitenlandsche bescheiden..H.Th Colenbrander; Martinus Nijhoff 1899

Meer informatie