aanwassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanwassen aanwassend
aanwas aangewassen
Woordafbreking
  • aan·was·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van wassen met het voorvoegsel aan-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwassen
wies aan
aangewassen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanwassen

  1. (ergatief) toenemen, aangroeien
    De rivier wies door de overvloedige regenval sterk aan en trad buiten zijn oevers.
    Het oproer wies aan en verbreidde zich ongehinderd over de stad.[1]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aanwassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanwas
Verwijzingen
  1. De patriottentijd, hoofdzakelijk naar buitenlandsche bescheiden..H.Th Colenbrander; Martinus Nijhoff 1899