aanbelangen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·be·lan·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbelangen
belangde aan
aanbelangd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanbelangen

  1. overgankelijk van belang zijn voor iemand
    • Wat mij aanbelangt, mag dit best afgeschaft worden. 
    • Deze gebeurtenis belangde Japan en vooral Satsuma aan omdat de eilandbewoners als onderdeel werden beschouwd van de Satsuma-clan. 
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

aanbelangen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanbelang

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.