aanwakkeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wak·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwakkeren
wakkerde aan
aangewakkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanwakkeren

  1. aansporen
  2. sterker worden
    • Toen ze hem zo liefdevol zijn moeder zag verzorgen werd haar liefde voor hem weer aangewakkerd. 
    • De wind wakkerde aan 
  3. groter maken
    • De storm wakkerde het vuur weer aan 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.