aansmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·sme·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansmeren
smeerde aan
aangesmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aansmeren

  1. overgankelijk met iets besmeren
  2. ditransitief aanpraten, listig verkopen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.