aanbouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbouwen
bouwde aan
aangebouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanbouwen

  1. overgankelijk ergens iets tegenaan bouwen
    Zij lieten bij hun huis een garage aanbouwen.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.