aankopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ko·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankopen
kocht aan
aangekocht
zwak -cht volledig

Werkwoord

aankopen [1]

  1. overgankelijk door kopen verwerven
    • Zij hadden een assortiment mobiele telefoons aangekocht. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aankopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aankoop

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen