land

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Land

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • land
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: lant
Oudnederlands: lant
Germaans: *landan
Indo-Europees: *lendʰ-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: land (Angelsaksisch: land, lond), Duits: Land, (Oudhoogduits: lant), Fries: lân (Oudfries: land, lond)
Noord: Zweeds/Deens/Noors/IJslands/Faeröers: land, (Oudnoords: land)
Oost: Gotisch: land
enkelvoud meervoud
naamwoord land landen
verkleinwoord landje landjes

Zelfstandig naamwoord

land o

  1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    • We moeten op land geen windmolens meer plaatsen, maar uitsluitend investeren in zeewindparken. 
    • De kikker leeft zowel op het land als in het water. 
  2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor of gebruikt wordt voor bebouwing of landbouw en veeteelt
    • Hij heeft een stuk land gekocht. 
    • De boeren zijn op het land bezig met het maaien van het gras. 
  3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    • Het hele land was in rep en roer. 
    • Het is een corrupt land. 
  4. niet-verstedelijkt gebied
  5. het eigen land, het land waar men geboren is
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd.
in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren
  • Het land aan iets hebben
aan iets een hekel hebben
  • In het land der blinden is éénoog koning.
je hoeft maar weinig moeite te doen om mensen vóór te blijven als zij zich niet in dat onderwerp verdiepen of er geen tijd/moeite in willen stoppen ofwel: wanneer iemand als enige een beetje van iets weet, lijkt het voor iedereen die er niets van weet alsof diegene er echt verstand van heeft
  • Met de hoed in de hand komt men door het ganse land.
iemand die vriendelijk is bereikt meer in het leven dan iemand die onaardig en onbeleefd is
  • aan land gaan / aan wal komen
van boord gaan, uit de boot stappen
  • te land
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
landen

land

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van landen
    • Ik land. 
  2. gebiedende wijs van landen
    • Land! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van landen
    • Land je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Alemannisch

Zelfstandig naamwoord

land

  1. land
    «USA isch de gröschte land vode Wäult.»
    De VS is het grootste land ter wereld.


Angelsaksisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

land o

  1. land
Overerving en ontlening


Deens

Uitspraak
  • IPA: /lænˀ/
Woordafbreking
  • land
Naar frequentie 552
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   land     landet     lande     landene  
genitief   lands     landets     landes     landenes  

Zelfstandig naamwoord

land, o

  1. land



Engels

Uitspraak
Uitspraak
enkelvoud meervoud
land lands

Zelfstandig naamwoord

land

  1. land


Faeröers

Uitspraak
  • IPA: /land̥/

Zelfstandig naamwoord

land, o

  1. land


IJslands

Uitspraak
  • IPA: /land̥/

Zelfstandig naamwoord

land, o

  1. land


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • land
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Oudnoordse woord land
Naar frequentie 579

Werkwoord

land

  1. gebiedende wijs van lande
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   land     landet     land     landa
landene  
genitief   lands     landets     lands     landas
landenes  

Zelfstandig naamwoord

land, o

  1. land
    «Konvensjonen omfatter både dyre- og plantearter, og de fleste land i verden har sluttet seg til den.»
    Het verdrag heeft betrekking op zowel dier- als plantensoorten, en de meeste landen in de wereld zijn toegetreden tot het.
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

land

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van land


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • land
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Oudnoordse woord land

Werkwoord

land

  1. gebiedende wijs van lande
Synoniemen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   land     landet     land     landa  

Zelfstandig naamwoord

land, o

  1. land
Afgeleide begrippen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • land
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Oudnoordse woord land
Naar frequentie 653
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   land     landet     lander     landerna  
genitief   lands     landets     landers     landernas  

Zelfstandig naamwoord

land, o

  1. (politiek) land, natie, staat
  2. (sociologie) platteland
  3. bodem, grond, terrein
  4. een stuk tuinland, plaats
  5. landmassa, vast land, vasteland
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen