aankleden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kle·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankleden
kleedde aan
aangekleed
zwak -d volledig

Werkwoord

aankleden:

  1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien, decoreren, versieren
    • We kunnen de vergelijking aankleden met een voorbeeld uit de praktijk. 
  2. iets of iemand kleren aandoen
    • In de Amerikaanse stad New Jersey heeft een familie hun zelfgemaakte naakte sneeuwvrouw moeten aankleden nadat ze klachten hadden gekregen van de buren. 
  3. wederkerend zich ~: zijn kledij aantrekken
    • Zij was bezig zich aan te kleden. 
     Sinterklaas stond vlug op, kleedde zich aan en ging naar de stal.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11