aanlachen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·la·chen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanlachen
lachte aan
aangelachen
zwak -t


gemengd

volledig

Werkwoord

aanlachen

  1. toelachen, gunstig zijn
  2. bekoren

Gangbaarheid

33 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be