aannemen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ne·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aannemen
nam aan
aangenomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

aannemen

  1. overnemen
  2. overgankelijk geloven
    • Hij nam dat zonder meer aan. 
  3. overgankelijk goedkeuren
    • Het voorstel is gisteren aangenomen door de raad. 
  4. adopteren
    • Het kinderloze gezin had 2 kinderen aangenomen. 
  5. een werk op de gestelde voorwaarden op zich nemen
    • De aannemer neemt werk aan voor een bepaalde prijs en onder voorwaarde het op een bepaalde tijd af te hebben. 
  6. opnemen in een vereniging
    • De ballotagecommissie besliste dat hij werd aangenomen in de vereniging. 
  7. (protestants) toelaten tot alle rechten van de Kerk
  8. in dienst nemen
    • Het bedrijf had net 40 nieuwe mensen aangenomen. 
  9. overgankelijk een veronderstelling maken
    • Als we aannemen dat de temperatuur constant blijft, kunnen we uitrekenen hoeveel er oplost. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: rouw aannemen
rouw dragen
  • [1]: goed van aannemen
gemakkelijk lerend
  • [1]: het is geen aangenomen werk
er is geen haast bij
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl