aanzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanzetten
zette aan
aangezet
zwak -t volledig

Werkwoord

aanzetten

  1. (overgankelijk) ~ tegen tegen iets plaatsen
    Hij had zijn fiets tegen de muur aangezet.
  2. (overgankelijk) op een [[kier] zetten
    Het venster werd aangezet.
  3. (overgankelijk) vastmaken
    Soms kunnen afgesneden lichaamsdelen weer aangezet worden, maar lang niet altijd.
  4. (overgankelijk) (kookkunst) scherpen zonder materiaal te verwijderen
    Hij zette zijn mes alleen even aan op het aanzetstaal en besloot dat hij het later wel een goed zou slijpen.
  5. (overgankelijk) ~ tot aansporen, op gang zetten
    Tunesië sluit tachtig moskeeën wegens het aanzetten tot geweld [1]
  6. (ergatief)(kookkunst) een korst afzetten, vast gaan zitten aan een pan
    Roer af en toe om te zorgen dat de linzen niet aan de bodem van de pan aanzetten.
  7. accentueren
  8. (overgankelijk) activeren, in gang zetten, van stroom voorzien, opstarten
    Hij trachtte zijn laptop aan te zetten, maar de batterij had het begeven.
  9. (kookkunst) verhitten en bruin laten worden van ingrediënten

komen aanzetten

  1. komen, verschijnen
    Hij kwam aanzetten met een grote taart.
Vaste voorzetsels
  • aanzetten tot
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aanzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanzet

Werkwoord

vervoeging van
aanzetten

aanzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanzetten
    ...dat wij aanzetten.
    ...dat jullie aanzetten.
    ...dat zij aanzetten.
Verwijzingen
  1. www.nu.nl