aanzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanzetten
zette aan
aangezet
zwak -t volledig

Werkwoord

aanzetten

  1. overgankelijk ~ tegen tegen iets plaatsen
  2. overgankelijk op een kier zetten
  3. overgankelijk vastmaken
    • Soms kunnen afgesneden lichaamsdelen weer aangezet worden, maar lang niet altijd. 
  4. overgankelijk (kookkunst) scherpen zonder materiaal te verwijderen
    • Hij zette zijn mes alleen even aan op het aanzetstaal en besloot dat hij het later wel een goed zou slijpen. 
  5. overgankelijk ~ tot aansporen, op gang zetten
  6. ergatief(kookkunst) een korst afzetten, vast gaan zitten aan een pan
    • Roer af en toe om te zorgen dat de linzen niet aan de bodem van de pan aanzetten. 
  7. accentueren
  8. overgankelijk activeren, in gang zetten, van stroom voorzien, opstarten
    • Hij trachtte zijn laptop aan te zetten, maar de batterij had het begeven. 
  9. (kookkunst) verhitten en bruin laten worden van ingrediënten

komen aanzetten

  1. komen, verschijnen
    • Hij kwam aanzetten met een grote taart. 
Vaste voorzetsels
  • aanzetten tot
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

aanzetten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanzet

Werkwoord

vervoeging van
aanzetten

aanzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanzetten
    • ...dat wij aanzetten. 
    • ...dat jullie aanzetten. 
    • ...dat zij aanzetten. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen