aanzetten
Uiterlijk
- aan·zet·ten
- [1-7] samenstelling van aan vz en zetten ww
- [8] samenstelling van aan bw en zetten ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanzetten |
zette aan |
aangezet |
| zwak -t | volledig | |
aanzetten
- overgankelijk ~ tegen tegen iets plaatsen
- overgankelijk op een kier zetten
- Het venster werd aangezet.
- overgankelijk vastmaken
- Soms kunnen afgesneden lichaamsdelen weer aangezet worden, maar lang niet altijd.
- overgankelijk (kookkunst) scherpen zonder materiaal te verwijderen
- Hij zette zijn mes alleen even aan op het aanzetstaal en besloot dat hij het later wel een goed zou slijpen.
- overgankelijk ~ tot aansporen, op gang zetten
- ▸ De moderniteit heeft aangezet tot ongebreidelde fantasieën over éenvoudigere'levens op eilanden in de Stille Zuidzee, in de tipi's van de inheemse Amerikanen en in Arabische medina's.[2]
- ▸ 'Van een vriendin ' Ze kuste hem op zijn mond om verdere vragen voor te zijn. Ze had niet geweten dat haar lichaam zo kon voelen, of dat ze een man ertoe kon aanzetten om deze dingen met haar te doen.[3]
- ergatief(kookkunst) een korst afzetten, vast gaan zitten aan een pan
- Roer af en toe om te zorgen dat de linzen niet aan de bodem van de pan aanzetten.
- accentueren
- overgankelijk activeren, in gang zetten, van stroom voorzien, opstarten
- Hij trachtte zijn laptop aan te zetten, maar de batterij had het begeven.
- ▸ Een aantal seconden geleden had ze hem aangezet en nu lag de eindeloze weg van internet voor haar open. Voordat ze het adres intoetste, strekte Chantal haar armen.[4]
- ▸ Voordat ze de computer aanzette wreef Chantal in haar handen.[4]
- (kookkunst) verhitten en bruin laten worden van ingrediënten
komen aanzetten
- komen, verschijnen
- Hij kwam aanzetten met een grote taart.
- ▸ '0delle, ik geef het echt niet op, hoor. Ik blijf het vragen. Ik word jouw Scotland Yard. Je hebt iets met die man, hè? Hij kwam hier nog geen vijf minuutjes na jou aanzetten.'[3]
- aanzetten tot
de aanzetten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aanzet
| vervoeging van |
|---|
| aanzetten |
aanzetten
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanzetten
- ...dat wij aanzetten.
- ...dat jullie aanzetten.
- ...dat zij aanzetten.
- ...dat wij aanzetten.
- Het woord aanzetten staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "aanzetten" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ www.nu.nl
- ↑ “Hoe overleef ik de moderne wereld” (2033), Atlas Contact
, ISBN 9789045045979 - 1 2 Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - 1 2 “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Kookkunst in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %