aankaarten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kaar·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankaarten
kaartte aan
aangekaart
zwak -t volledig

Werkwoord

aankaarten

  1. overgankelijk door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
  2. overgankelijk tot onderwerp van discussie maken
    • Hij besloot dit lastige probleem op de vergadering aan te kaarten en zette zich schrap voor de stortvloed van kritiek die dat losmaakte. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.