Naar inhoud springen

aangeboren

Uit WikiWoordenboek
  • aan·ge·bo·ren
stellend
onverbogen aangeboren
verbogen
partitief aangeborens

aangeboren

  1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
    • Er zijn veel verschillende aangeboren hartafwijkingen bekend. 
     Met een aangeboren of aangeleerde elegantie, dat was haar toen nog niet duidelijk, kweten ze zich van hun taak.[1]
     De man sprak goed Engels, en Olive zag in zijn gezicht gelijkenissen met dat van Isaac, hoewel de don iets aangeboren theatraals bezat wat zijn zoon vreemd was. Ondanks zijn opzichtigheid straalden zijn ogen een zekere intelligentie uit: bedachtzaamheid en zwarte humor. Ze dacht aan het verhaal dat Teresa over hem had verteld en probeerde haar ongerustheid de kop in te drukken.[2]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]