aanliggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·lig·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanliggen
lag aan
aangelegen
klasse 5 volledig

Werkwoord

aanliggen

  1. inergatief ~ aan: op Romeinse wijze deelnemen aan een banket, gelegen op een sofa
    • Hij had een aantal malen aan het keizerlijk hof aangelegen aan het banket. 
  2. ergatief ~ tegen: in onmiddellijke aanraking gelegen zijn
    • Hij vergeleek onder meer aapjes die als baby dicht tegen hun moeder aanlagen om te drinken met aapjes die een surrogaatmoeder hadden. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.