aanleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanleggen
anlɛɣə(n)
legde aan
lɛɣdə 'ʔan
aangelegd
'anɣəlɛxt
zwak -d volledig

Werkwoord

aanleggen

  1. vastmaken
  2. overgankelijk een wapen in de vereiste stand brengen om te schieten
    • Zij legden aan en schoten toen het bevel klonk om te vuren. 
  3. inergatief aan de wal gaan liggen
    • Na enige vertraging door de mist legde het schip aan in de haven. 
  4. een café aandoen
  5. tegen het lichaam leggen
  6. vastleggen
  7. overgankelijk maken van een weg
    • Er werd een weg aangelegd die de stad met het nieuwe vliegveld verbond. 
     Het is buiten de kwelzucht van de parcoursbouwers gerekend. Hier lag de afgelopen drie keer de eindstreep, maar verderop hebben ze een onverhard pad laten aanleggen. Nog wat verder omhoog, heren![1]
  8. doen
Spreekwoorden
  • een maatstaf aanleggen: een maatstaf gebruiken
  • aanleggen met: zich inlaten met
    • Hij wilde het aanleggen met het mooie meisje.
  • het erop aanleggen: ernaar streven
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant