aanleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van leggen met het voorvoegsel aan-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanleggen
anlɛɣə(n)
legde aan
lɛɣdə 'ʔan
aangelegd
'anɣəlɛxt
zwak -d volledig

Werkwoord

aanleggen

  1. vastmaken
  2. (overgankelijk) een wapen in de vereiste stand brengen om te schieten
    Zij legden aan en schoten toen het bevel klonk om te vuren.
  3. (inergatief) aan de wal gaan liggen
    Na enige vertraging door de mist legde het schip aan in de haven.
  4. een café aandoen
  5. tegen het lichaam leggen
  6. vastleggen
  7. (overgankelijk) maken
    Er werd een weg aangelegd die de stad met het nieuwe vliegveld verbond.
  8. doen
Spreekwoorden
  • een maatstaf aanleggen: een maatstaf gebruiken
  • aanleggen met: zich inlaten met
  • het erop aanleggen: ernaar streven
Vertalingen