aanwezig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·we·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van aan en de stam van wezen met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanwezig aanweziger aanwezigst
verbogen aanwezige aanwezigere aanwezigste
partitief aanwezigs aanwezigers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanwezig

  1. tegenwoordig zijn, er zijn (van mensen)
    • Het aanwezige publiek was dolenthousiast. 
  2. ter beschikking zijn, voorhanden zijn (van dingen)
    • Alle vormen van speelplezier zijn aanwezig. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie