aanwezig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·we·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorhanden’ voor het eerst aangetroffen in 1561 [1]
  • Samenstellende afleiding van aan en de stam van wezen met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanwezig aanweziger aanwezigst
verbogen aanwezige aanwezigere aanwezigste
partitief aanwezigs aanwezigers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanwezig

  1. tegenwoordig zijn, er zijn (van mensen)
    • Het aanwezige publiek was dolenthousiast. 
  2. ter beschikking zijn, voorhanden zijn (van dingen)
    • Alle vormen van speelplezier zijn aanwezig. 
     Je ziet ook hoe het leven langzaam uit de Route is weggetrokken. De romantiek van het verval is overvloedig aanwezig. Verlaten, met gras en onkruid overwoekerde tankstations.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen